Onderaan staat de tekst nog eens apart, indien onleesbaar in het artikel.

GELOOFT HET THEATER NOG IN ZICHZELF?

Zelfbevlekking op een podium
Mislukte regisseurs, actrices in twijfel, kritiek op programmatoren: opvallend hoeveel voorstellingen dit seizoen de theaterwereld zelf te kijk zetten. Er spreekt een twijfelachtig zelfbeeld uit, op het randje van een identiteitscrisis.

WOUTER HILLAERT

Beeld je deze situatie in. Een programmatrice uit Kopenhagen vraagt een theatermaker uit Brussel of hij zijn provocatieve solo op haar festival wil komen spelen. En wat dat kost. De kunstenaar stelt prompt een vraag terug. ‘Mag ik je vagina zien?’ Zij opent haar benen. Geknield vingert hij haar, zij blijft strak voor zich uitkijken. Met haar goedkeuring voegt hij een vinger toe, en dan nog één. Zij gooit haar hoofd achterover, ze geniet. ‘Wil je dat ik er ook een vierde vinger instop?’ Dat ziet ze niet zitten. ‘Dan kost het 3.000 euro.’

Voorstellingen stellen alles in het werk om te komen vertellen dat ze in wezen niets meer te vertellen hebben

Zo zie je het in Fest, de nieuwe productie van Ivo Dimchev. Na de programmatrice volgen nog een technicus en een critica. De eerste wordt smakkend afgezogen, de tweede steekt Dimchev neer met een mes. Postuum, onder het bloed, werkt onze kunstenaar nog een nagesprek met de critica af. Zo blijkt dat zij zichzelf eigenlijk gewoon wil bezwangeren met zijn zaad. Met haar kutje bloot en haar benen hoog laaft ze zich aan de vruchtbaarheid van de artiest.

Ziedaar het Europese festivalcircuit volgens Ivo Dimchev: een symbolische ruileconomie die vooral draait op psychologische complexen en seksuele verhoudingen rond ‘egocentrische kunstenaars’. Is het een metafoor voor hoe ook de rest van de wereld draait? Eerder een karikatuur van de eigen biotoop. ‘Respect art! Respect art!’ Halfweg Fest citeert Dimchev een scène uit eerder werk van hemzelf: op de knieën kruipt hij naar voren, met een goedkoop schilderijtje opgestoken als relikwie. ‘Respect art!’ De ironie druipt eraf.

Kritisch voor de spiegel
Al eeuwen presenteren kunstenaars portretten van zichzelf. En al sinds Shakespeare bestaat er zoiets als metatheater, theater over theater. Maar wat je dit seizoen vaak op onze podia ziet, is nog licht anders. Er openbaren zich bijna sociologische studies van het eigen systeem, van alle stennis tussen regisseurs, schrijvers en programmatoren. Zij gaan fungeren als personages. Alsof het theater het liefst van al zijn eigen onderwerp wordt.

In het beste geval is het zelfkritiek. In We are your friends ontmaskert De Warme Winkel het holle gebazel over kosmopolitisme in de kunsten. En in Achterkant kroop het collectief zelfs letterlijk in de coulissen van Toneelgroep Amsterdam. Terwijl op de bühne Lange dagreis naar de nacht speelde, zetten Vincent Rietveld en Ward Weemhoff als twee stand-ins regisseur Ivo van Hove en zijn acteurs te kakken voor een eigen publiekje achter scène. Achterkant was live theaterkritiek, volgens de hogere kunst van parasiteren.

Zo kaartte Tom Vermeir in zijn solo Sta op! ook al de navelstaarderij in theater aan. Hij maakte zich druk over theaterdirecteurs die van alles beloven, over laffe programmatoren die hun zalen volproppen met comedy. Noem het de vuile was buitenhangen, met de grap als lentefrisse verzachter. Een gezonde zelfrelativering?

Deze spontane oprispingen vallen moeilijk los zien van de fameuze besparingen in Nederland, of van het gedonder dat ook de Vlaamse podiumsector vreest. Het gesubsidieerde theater staat onder druk. Doet het er nog toe?

Je merkt het aan alles, tot in de repetitiezaal: theatermakers zijn behalve met theater maken, ook erg met hun eigen bestaansreden bezig. Altijd handig als je beide kan combineren: op de scène zelf. Niet alles past in een witboek of een academische studie naar de waarde van kunst.

Mond vol tanden
Maar welk antwoord spreekt dan uit al die voorstellingen over het theaterleven? In Alles van Eva schetst Skagen een milieu vol neuzelende slippendragers rond één diva die langzaam uitdooft. Ook in White Lies koketteert Lies Pauwels met dat beeld van de verlopen actrice, zwemmend in de drank en praalzuchtig met haar failliet.

Met sardonisch genot worden juist de clichés over kunstenaars uitgesmeerd. Wunderbaum koos in Het spookhuis der geschiedenis bijvoorbeeld voor de B-regisseur met grootheidswaanzin, die dan totaal mislukt. Vrolijk speelt dit theater dat het nergens toe komt. Het verliest zich, zoals de artiestenfamilie Olga van De Koe, in een even verfijnde als bodemloze zelfbeschouwing, zonder doel of daadkracht.

Tsjechov lijkt makers niet langer een spiegel te bieden van de menselijke staat, maar vooral een melancholisch zelfbeeld. Want al dit theater over theater cirkelt rond hetzelfde thema: het onvermogen om op de loop der dingen een wervend antwoord te bieden.

Niet dat deze voorstellingen zelf niet wervelen. Wel integendeel: ze amuseren en plezieren, zijn vaak verdomd goed gemaakt en weten dat ook van zichzelf. Dat is de eigenlijke tragiek: ze stellen alles in het werk om te komen vertellen dat ze in wezen niets meer te vertellen hebben, of het keert zich tegen het eigen toneelbedrijf. Straffe acteurs, uitgekiende regies, middelen en mankracht: al hun vermogen gaat in de schets van hun onvermogen. De collectieve onmacht wordt feestelijk gevierd.

Stoplap
Een oprechte blijk van kwetsbaarheid, zullen sommigen zeggen. De twijfels van artiesten als de twijfels van elk individu, zullen anderen zeggen. Een romantischer stoplap bestaat er niet: die van de lijdende kunstenaar, als prisma van de hele gemeenschap.

Dat zelfbeeld contrasteert ook nogal met hoe het theater zich naar buitenuit verdedigt: als een vrijstaande serre waar een samenleving haar evidenties ontkracht ziet en andere perspectieven aangereikt krijgt. Hier zie je veeleer kasplantjes die zichzelf het licht ontzeggen. Niet de acteurs, niet de makers. Maar hun personages. Velen wentelen zich in het slop van het tragische kunstenaarschap: precies wat het theater steevast voor de voeten geworpen krijgt door sceptici die het met die vrijplaats minder goed voorhebben.

Als dit theater al iets weerspiegelt, behalve een vreemde ingekeerde zelfbevlekking, is het de complexe zoektocht van al wat zich vandaag in Vlaanderen progressief noemt. Hoe in alle overdaad, alle crisisgevoel, alle maatschappelijke turbulentie een betekenisvol gebaar stellen?

Gelukkig is er in theater ook nog veel ander moois te zien. Het houdt die moeilijke zoektocht binnenskamers, en treedt pas naar buiten als het een antwoord vond, hoe ijl ook.